| 18 juni 2011, aanvang 20.30 | Concerten bij Kaarslicht |
programma voor Vlieland, 18 juni 2011
Johannes Brahms:
Robert Schumann:
Joseph Rheinberger: Messe in Es Dur “Cantus Missae”
pauze
Ildebrando Pizzetti:
Claude Debussy: Trois Chansons (Charles d'Orléans)
Einojuhani Rautavaara: Suite de Lorca (Federíco García lorca)
Arturo Duo-Vital:
Johannes Brahms
Lieder und Romanzen, op. 93a (1883/4)
Brahms schreef veel van zijn koorwerken in zijn Weense periode, zo ook zijn opus 93a uit 1883/4. Te midden van zijn andere werken valt het op door de luchtige toon: de combinatie van volbloedpoëzie van Goethe en Rückert naast volksliedjes uit het Rijnland en uit Servië. Het is kenmerkend voor een componist die zo vaak folkloristische elementen tot doorwrochte vormen wist uit te werken.
Der Falke (Serbisch, Siegfried Kapper)
An dem Tor ein Mädchen sitzt, Wie es wäscht und wie es sitzt, Spricht der Falke aus den Höh’n: Hebe nicht die Braue fein, |
Een valk verheft zich, Aan die poort zit een meisje, Trek je fijne wenkbrauwen niet op, |
O Süßer Mai (L. Achim von Arnim)
|
O lieve mei, |
Das Mädchen (Serbisch, Siegfried Kapper)
„Wahrlich, Antlitz, o du meine Sorge, Wüßt’ ich aber, du mein weißes Antlitz, |
Er stond een meisje op de helling van een berg, “Werkelijk, gelaat, jij baart me zorgen, Maar zou ik weten, jij mijn blank gelaat, |
Robert Schumann
In Dresden waren aan het begin van de 19de eeuw, net als in veel andere Duitse steden, koorverenigingen opgericht – een uiting van de opkomende burgercultuur. Van de Liedertafel werd Robert Schumann dirigent in 1847 en in 1848 richtte hij de Verein für Chorgesang op, die zich later de Robert Schumannsche Singakademie zou noemen. Met deze koren werden Palestrina, Bach, Händel en Haydn uitgevoerd – en uiteraard schreef Robert zelf ook muziek. Om preciezer te zijn: vrijwel alle koorwerken van Robert ontstonden in zijn Dresdener periode en waren bedoeld voor zijn eigen koren. De tekstkeuze van zijn koorliederen verraadt Roberts brede literaire belangstelling. Naast de bekendere Duitse dichters vallen vertalingen van de Schotse dichter Robert Burns op.
John Anderson, op. 145, nr.4 (Robert Burns)
|
John Anderson, mijn lief! |
John Anderson, mein Lieb! |
John Anderson, mijn lief! |
Jägerlied, op. 59, nr.3 (Eduard Mörike)
In die Lüfte hoch ein Reiher steigt, |
Sierlijk is het voetspoor van een vogel in de sneeuw, als hij hoog in de bergen loopt: Hoog in de lucht stijgt een reiger op, |
Zahnweh, op. 55, nr.2 (Robert Burns)
Stellt Fiebers Glut und Frost sich ein, Mir rieselt's eiskalt über's Kinn, Von allen Plagen auf der Welt, O Schwefelhaupt im Glutpalast, |
Zoals je me met je giftige stekel bijna Als het gloeien en rillen van de koorts begint, steekt het hier en daar door merg en been, maar het hart van de buurman zal ons medelijden en troost schenken; Een ijskoude rilling loopt over m’n kin, Van alle plagen in de wereld, O, jij zwavelkop in een gloedpaleis, |
Josef Gabriel Rheinberger
Messe in Es, op. 109 "Cantus Missae" (1887)
Een beetje een buitenbeentje in dit programma is de Mis in Es voor dubbelkoor, bijgenaamd Cantus Missae, van Josef Rheinberger (1839-1901). Rheinberger is in de eerste plaats bekend vanwege zijn orgelwerken, maar zijn oeuvre is zeer breed en omvat ook orkestwerken, vier opera's, pianomuziek, kamermuziek en vocale muziek in al zijn verschijningsvormen. Rheinberger, geboren in Liechtenstein, werkte het grootste deel van zijn leven in München en werd daar al pianoleraar aan het conservatorium toen hij 20 jaar was – en compositieleraar een jaar later. Op den duur reisden musici uit de hele wereld af naar München om les bij hem te nemen. Rheinberger werd vele malen onderscheiden en geëerd, onder andere met een eredoctoraat van de universiteit van München.
In 1877 werd Rheinberger benoemd tot hofkapelmeester van de Allerheiligen-Hofkirche. De eerste tijd voerde hij in die functie alleen werken van anderen uit; Palestrina nam daarbij een belangrijke plaats in. Op nieuwjaarsdag 1879 klonk voor het eerst een mis van zijn hand: de dubbelkorige Mis in Es. Dat dit stuk een succes was, bewijst het feit dat het op eerste paasdag 1879 en 1880 nogmaals klonk. Hoewel het idioom van de mis duidelijk romantisch is, zijn de dubbelkorigheid en de schrijfwijze geïnspireerd op componisten uit de renaissance. En hierin is dan toch een overeenkomst te vinden met Schumann en Brahms, die zich – zeker in hun geestelijke werken – ook lieten inspireren door oude meesters als Palestrina, Lassus, Bach en Händel.
|
Heer, ontferm U over ons. |
Christe eleison. |
Christus, ontferm U over ons. |
Kyrie eleison. |
Heer, ontferm U over ons. |
| Gloria in excelsis Deo. |
Eer zij God in den hoge |
Et in terra pax hominibus bonae voluntatis. |
En vrede op aarde aan de mensen van goede wil. |
Laudamus te, benedicimus te, adoramus te, glorificamus te. |
Wij loven U, wij zegenen U, wij aanbidden U, wij verheerlijken U. |
Gratias agimus tibi propter magnam gloriam tuam. |
Wij danken U om Uw grote heerlijkheid. |
Domine Deus, Rex coelestis, Deus Pater omnipotens. |
Heer God, hemelse Koning, God almachtige Vader. |
Domine Fili unigenite Jesu Christe. |
Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus. |
Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris. |
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader. |
Qui tollis peccata mundi, miserere nobis. |
Hij die wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons. |
Suscipe deprecationem nostram. |
Ontvang onze smeekbede. |
Qui sedes ad dextram Patris, O miserere nobis. |
Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader, ontferm U over ons. |
Quoniam tu solus Sanctus, tu solus Dominus, tu solus Altissimus, Jesu Christe. |
Want alleen U bent heilig, U alleen Heer, U alleen de Allerhoogste, Jezus Christus. |
Cum Sancto Spiritu in gloria Dei Patris. |
Met de Heilige Geest, in de glorie van God de Vader. Amen. |
Credo in unum Deum; Patrem omnipotentem, factorem coeli et terrae, visibilium omnium et invisibilium. |
Ik geloof in één God, de Almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen. |
Et in unum Dominum Jesum Christum, Filium Dei unigenitum, et ex Patre natum ante omnia saecula. |
En in één Heer, Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, uit de Vader geboren vóór alle eeuwen. |
Deum de Deo, lumen de lumine, Deum verum de Deo vero, genitum non factum, consubstantialem Patri: per quem omnia facta sunt. |
God van God, licht uit licht, waarlijke God van de waarlijke God. Geboren en niet gemaakt, één van wezen met de Vader, door wie alles gemaakt is. |
Qui propter nos homines, et propter nostram salutem descendit de coelis. |
Die om ons mensen en om onze redding uit de hemel is nedergedaald. |
Et incarnatus est de Spiritu Sancto ex Maria Virgine: et homo factus est. |
En Hij is vleesgeworden uit de Heilige Geest en de Maagd Maria: en Hij is mens geworden. |
Crucifixus etiam pro nobis sub Pontio Pilato, passus et sepultus est. |
Hij is zelfs voor ons gekruisigd, heeft geleden onder Pontius Pilatus en is begraven. |
Et resurrexit tertia die secundum Scripturas. |
En op de derde dag is hij opgestaan, overeenkomstig de schriften. |
Et ascendit in coelum: sedet ad dexteram Patris. |
Hij is opgevaren ten hemel: waar hij zetelt aan de rechterhand des Vaders. |
Et iterum venturus est cum gloria, judicare vivos et mortuos: cujus regni non erit finis. |
En hij zal wederkeren met heerlijkheid om te oordelen de levenden en de doden; en zijn heerschappij zal geen einde kennen. |
Et in Spiritum Sanctum, Dominum, et vivificantem: qui ex Patre Filioque procedit. |
En ik geloof in de Heilige Geest, de Heer en levensbrenger: Die uit de Vader en de Zoon voortkomt. |
Qui cum Patre et Filio simul adoratur et conglorificatur: qui locutus est per Prophetas. |
Die met de Vader en de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt: die aangekondigd is door de Profeten. |
Et in unam sanctam catholicam et apostolicam Ecclesiam. |
En in één heilige, algemene en apostolische kerk. |
Confiteor unum baptisma, in remissionem peccatorum. |
Ik belijd één doop ter vergeving van de zonden. |
Et expecto resurrectionem mortuorum et vitam venturi saeculi. |
En ik verwacht de wederopstanding der doden, en het eeuwige leven. |
| Sanctus, sanctus, sanctus, Dominus Deus Sabaoth. |
Heilig, heilig, heilig, de heer der hemelse machten. |
Pleni sunt coeli et terra gloria tua. |
Vol zijn hemel en aarde van Uw heerlijkheid. |
Osanna in excelsis. |
Hosanna in den hoge. |
Benedictus qui venit in nomine Domini, |
Gezegend, hij die komt in de naam des Heren. |
Osanna in excelsis. |
Hosanna in den hoge. |
Agnus Dei
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi: Miserere nobis. |
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons. |
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi: dona nobis pacem. |
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, geef ons vrede. |
Ildebrando Pizzetti (1880-1968)
Ildebrando Pizzetti (1880-1968) was een zeer invloedrijk man in de muziekwereld. En hoewel hij over het algemeen gezien werd als muzikaal conservatief, werd hij alom gewaardeerd en geprezen. Onder zijn werken vallen vooral een flink aantal opera’s op eigen teksten en een grote hoeveelheid filmmuziek op. Pizzetti is, naast Malipiero, een van de voortrekkers geweest in de beweging die de Italiaanse muziek weer in verband wilde brengen met de muziek uit de Renaissance en de vroege barok. In zijn opera’s keert Pizzetti zich dan ook af van het ‘verismo’ (eigentijds realisme) van Puccini en streeft hij naar de heldere vormen van de opera’s van Monteverdi (1567-1643). Ook in zijn koorwerken probeert Pizzetti stijlkenmerken van de oude muziek terug te brengen. Van zijn vele koorwerken kozen we voor dit programma een drieluik van heftig emotionele koorcomposities uit 1942/3, de Tre Composizioni Corali, een geschenk van Pizzetti aan paus Pius XII voor diens 25-jarig ambtsjubileum.
Cade la sera. Nasce Su i pianori selvosi |
De avond valt, |
Claude Debussy: Trois Chansons (Charles d'Orléans)
Er was in Franse muziek altijd al veel aandacht geweest voor klankkleur, maar in de werken van Claude Debussy (1862-1918) krijgt het begrip kleur een hele nieuwe betekenis. Hij beschouwde kleur en harmonie niet meer als onafhankelijke zaken: bij hem hebben accoorden soms nog wel hun harmonische functie, maar de kleuring die een accoord aan de muziek geeft is minsten zo belangrijk. Dit idee is bepalend voor vrijwel alle Franse muziek van de twintigste eeuw. Tegelijkertijd was er in de Franse muziek ook alle mogelijkheid om historisme, natuurbeschouwing en invloed van niet-westerse muziek een plaats te geven. Debussy schreef in 1901:"Zoek de orde in de vrijheid en niet in leuzen van een aftandse, alleen voor zwakkelingen bruikbare filosofie. Laat je door niemand raden, behalve door de langswaaiende wind die over de wereld verhaalt."
Aan het begin van deze eeuw was er in Frankrijk geen echte traditie van a cappella-koorzang. Bij het schrijven van werken voor a cappella-koor kon men zich echter laten inspireren door twee vormen van eigen bodem. Enerzijds kon het chanson, het meerstemmige lied uit de renaissance zoals gecomponeerd door Clément Janequin en Claude le Jeune, als voorbeeld dienen. (De muziek uit de renaissance werd onder invloed van het historisme weer bestudeerd.) Anderzijds was de invloed groot van de mélodie, het solo-lied met piano dat zich in de saloncultuur een vooraanstaande plaats had verworven. In de 'Trois Chansons' uit 1908, het enige a cappella-werk van Debussy, zijn deze twee verschillende invloeden duidelijk te herkennen. Het eerste deel is een homofoon gezang, dat net als de werken van Le Jeune sterk aan het woordritme gebonden is. Het tweede deel is in meest letterlijke betekenis een solo-lied met begeleiding van de rest van het koor. In het derde deel komt een ander aspect van oude muziek om de hoek kijken, namelijk het gebruik van imitaties.
| Dieu! Qu’il la fait bon regarder, La gracieuse bonne et belle; Pour les grans biens que sont en elle, Chascun est prest de la loüer. Qui se pourroit d’elle laisser? Tousjour sa beauté renouvelle. Dieu, qu’il la fait fait bon regarder, La gracieuse bonne et belle! Par de ça, ne de là, la mer Ne scay dame ne damoiselle Qui soit en tous bien parfais telle. C’est ung songe que d’i penser: Dieu! Qu’il la fait bon regarder! |
God, wat heeft u haar mooi gemaakt; |
| Quant j’ai ouy le tambourin sonner, Pour s’en aller au may, En mon lit n’en ay fait affray Ne levé mon chief du coissin; En disant: il est trop matin, Ung peu je me rendormiray: Quant j’ai ouy le tambourin sonner Pour s’en aller au may, Jeunes gens partent leur butin; De non chaloir m’accointeray, A lui je m’abutineray: Trouvé l’ay plus prouchain voisin. |
Toen met muziek van bellen hel |
| Yver, vous n’estes qu’un villain. Esté est plaisant e gentil, en témoing de may et d’avril, qui l’accompagnent soir et main. Esté revet champs, bois et fleurs de sa livrée de verdure et de maintes autres couleurs par l’ordonnance de nature. Mais vous, Yver, trop estes plein de nège de nège, vent pluye et grézil. On vous deust banir en éxil. Sans point flatter je parle plein: Yver, vous n’estes qu’un villain. |
Winter, ge zijt niets anders dan een schelm. |
Einojuhani Rautavaara: Suite de Lorca (Federíco García lorca)
Rautavaara behoort zonder twijfel tot de belangrijkste Finse componisten van de vorige eeuw. De vocale werken nemen een belangrijke plaats in zijn oeuvre in. Van constructivisme moet Rautavaara niets hebben. Hoewel hij de twaalftoonstechniek veel heeft toegepast, is het gebruik hiervan voor hem geen voorwaarde om te componeren en vanwege de toegankelijkheid is hier in de vocale werken dan ook niets van te vinden. De “Suite de Lorca” is buitengewoon rijk aan zeggingskracht en ondersteunt de bittere poëzie van García Lorca, die honderd jaar geleden werd geboren, volkomen.
| Córdoba. Jaca negra, luna grande, Por el llano, por el viento, ¡Ay qué camino tan largo! Córdoba. |
Córdoba. Zwart paardje, grote maan, De vlakte door, door de vlagen, De weg langer en langer. Córdoba. |
| La elipse de un grito Desde los olivos, |
De ellips van een gil Uit de olijvenwei |
| Cuando sale la luna Cuando sale la luna Nadie come naranjas Cuando sale la luna |
Als de maan opkomt Als de maan opkomt Géen eet sinaasappels Als de maan opkomt |
Malagueña
| La muerte |
Het sterven |
vertaling: Dolf Verspoor
Arturo Duo-Vital:
Arturo Dúo Vital stamt uit het Baskische Castro Urdiales en deze stad bleef hij ondanks vele reizen en betrekkingen in andere steden altijd trouw. Van het lokale koor, de Sociedad Coral, was hij aanvankelijk gewoon lid, later dirigent. Hij studeerde eerst in het conservatorium in Bilbao, later ook in Parijs compositie bij Paul Dukas en in Madrid orkestdirectie. Tijdens de Spaanse burgeroorlog zat hij een tijd gevangen vanwege zijn republikeinse gezindheid. Hij legde een grote belangstelling aan de dag voor de volksmuziek uit het westelijk deel van de Spaanse Pyreneeën en het gebied rond Santander, de Montaña. Voor een aantal sololiederen kreeg hij compositieprijzen, o.a. voor Seis canciones montañesas. Als actieve koordirigent maakte Dúo Vital logischerwijs ook koorzettingen van montanese liederen, waaronder Mozuca.
| Dicen que eres buena mozabuena moza no lo eresdicen que eres resalada¿donde está la sal que tienes? | Ze zeggen dat je een knappe meid bentEen knappe meid dat ben je nietZe zeggen dat je pittig bentWaar is de pit die je hebt? |
| Yo la vi y ella me miraba yen la mano llevaba una jarra.Por tres cosas te he querido por morena y por alegre y por los ojos bonitosque aprisionada me tienen yo la vi y ella me mirabay en la mano llevaba una jarra | Ik zag haar en zij keek naar me enIn de hand droeg ze een kruikOm drie dingen heb ik van je gehoudenOm de brunette en om de vrolijke en om de mooie ogen die mij gevangen houdenIk zag haar en zij keek naar meEn in de hand droeg ze een kruik |
| Dicen que eres buena mozabuena moza no lo eresdicen que eres resalada¿donde está la sal que tienes? | Ze zeggen dat je een knappe meid bentEen knappe meid dat ben je nietZe zeggen dat je pittig bentWaar is de pit die je hebt? |
| Yo la vi y ella me miróy en la mano llevaba una florAy que si ay que nosi tú tienes huerta prado tengo yoay que sí que síay que no que nosi tú tienes madre “güela” tengo yo | Ik zag haar en ze keek me aanEn in de hand droeg ze een bloemWee zo ja wee zo neeAls jij een boomgaard hebt, heb ik een weiland Wee zo ja zo jaWee zo nee zo neeAls jij moeder hebt, heb ik een oma |
| Si tú tienes madre, abuela tengo yoSi tú tienes jarra, vino tengo yo | Als jij moeder hebt, heb ik een grootmoederAls jij een kruik hebt, heb ik wijn |
Vert. Hanna Thuránszky |
| El metro de doce son cuatro donceles,donceles latinos de rítmica tropa,son cuatro hijosdalgo con cuatro corceles;el metro de doce galopa, galopa... | De versmaat van twaalf zijn vier pagesLatijnse pages van ritmische troepenHet zijn vier edelmannen met vier rossenDe versmaat van twaalf galoppeert, galoppeert.... |
| Eximia cuadriga de caso sonoroque arranca al guijarro sus chispas de oro,caballos que en crines de seda se arropano al viento las tienden como pabellones;pegasos fantasmas, los cuatro bridonesgalopan, galopan, galopan, galopan... | Uitmuntende vierspan van klinkend gevalDie aan de keien zijn gouden vonken ontloktPaarden die zich met zijden manen bedekkenOf ze in de wind uitstrekken als vlaggenPegasus schimmen, de vier rossenGalopperen, galopperen... |
| ¡Oh, metro potente, doncel soberanoque montas nervioso bridón castellanocubierto de espumas perladas y blancas:apura la fiebre del viento en la copay luego galopa, galopa, galopa,llevando en Ensueño prendido a tus ancas! | Och, krachtige versmaat, oppermachtige pageDie nerveuse Castiliaanse ros bestijgtBedekt met parelkleurige en witte verenDe koorts van de wind in de kruin opdrinktEn daarna galoppeert, galoppeert, galoppeert,Het Droombeeld achterop je paard meevoerend! |
| El metro de doce son cuatro garzones,garzones latinos de rítmica tropa;son cuatro hijosdalgo con cuatro bridones:el metro de doce galopa, galopa... | De versmaat van twaalf zijn vier jongelingenLatijnse pages van ritmische troepenHet zijn vier edelmannen met vier rossenDe versmaat van twaalf galoppeert, galoppeert.... |
Amado Nervo |
Vert. Hanna Thuránszky |