Jusqu'à Josquin
Programma:
|
Zelfs voor veel liefhebbers van “oude muziek”
begint de westerse muziekgeschiedenis pas echt met de componist Josquin Desprez
(c. 1445–1521). Heel
verwonderlijk is dat niet, want rond 1500 begon de muziek, ten gevolge van de
steeds verder doordringende renaissance en het opkomend humanisme, een geheel
nieuwe functie te krijgen. Werd tot
ongeveer 1500 de muziek op de Italiaanse universiteiten onderwezen in de
faculteit van de mathematica, hierna was de muziek onderwerp van studie
in de faculteit van de grammatica. Met
ander woorden: pas rond 1500 begon men muziek te zien als een taal, als een
uitdrukking van menselijke gevoelens en gedachten, daarvóór gold een
muziekstuk als een architectoraal werk. Rond
1500 werd het langzaamaan belangrijk dat muziek “begrijpelijk” en “mooi”
was, in de periode daarvoor moest muziek vooral “goed” en “juist” zijn
en daardoor indrukwekkend. Waar de
muziek van de renaissance uitdrukking geeft aan het menselijke, probeert de
muziek van de late middeleeuwen het menselijke juist ver te overstijgen. Door deze cultuuromslag is voor de huidige westerse mens de
muziek van de 14de en 15de eeuw zo ontoegankelijk
geworden. We luisteren er eenvoudig
met de verkeerde instelling, met de verkeerde oren naar.
De 500-jarige herdenking van de dood van Jacob
Obrecht (c. 1450–1505) was voor het William Byrd Vocaal Ensemble aanleiding om
nu eens een programma samen te stellen met muziek van de 14de en 15de
eeuw. Dat uiteindelijk niet Obrecht
zelf maar Obrechts generatiegenoot Josquin Desprez (c. 1445–1521) in de titel
van het programma terecht is gekomen, komt doordat Josquin een pionier was in de
nieuwe, op taal georiënteerde muziekstijl.
Geldt voor veel koren dan ook dat hun vroegste repertoire bestaat uit
werken van Josquin, wij wilden Josquin nu juist eens in het perspectief van de
eeuwen daarvoor.
De eenvoud van de muziek van Josquin moet voor zijn
tijdgenoten verpletterend zijn geweest. Men
was gewend geïmponeerd te worden door technische hoogstandjes.
Bij Johannes Ockeghem (c. 1420–1497) vinden we buitengewoon complexe
canons en hij schreef bijvoorbeeld ook een mis die door middel van
sleutelverwisseling in alle acht kerktonen gezongen kan worden.
Guillaume Dufay (c. 1400–1474) schreef het motet Nuper rosarum
flores voor de inwijding van de kathedraal van Florence en in dit motet zijn
de verhoudingen van de kathedraal in de muziek terug te vinden.
Obrechts mis Sub tuum presidium begint met een 3-stemmig Kyrie,
maar krijgt er ieder deel een stem bij, zodat het Agnus Dei uiteindelijk
7-stemmig is! Ook verstaanbaarheid
stond niet hoog in het vaandel: Obrecht mengt in zijn Agnus Dei maar liefst 4
teksten door elkaar. En in de
14e-eeuwse muziek zijn lijnen waarop één lettergreep gezongen wordt soms zo
lang, dat het vrijwel onmogelijk wordt nog woorden te verstaan. Trouwens,
veel vocale muziek zal vaak uitsluitend instrumentaal gespeeld zijn; dit
was bijvoorbeeld het geval met de Liedekens van Obrecht. Als
gevolg daarvan is van de Liedekens slechts de eerste regel als titel overgeleverd
en maar in een paar gevallen kennen we de tekst via een andere bron.
Nee, dan Josquin!
In zijn bijna tien minuten durende zetting van de klaagzang van David op
de dood van Saul en Jonathan, Planxit autem David, wordt bijna
iedere lettergreep met grote precisie en zorg aan het publiek gepresenteerd.
Hoe zeer Josquin desalniettemin zijn oude leermeester waardeerde, moge
blijken uit de aangrijpende klaagzang Nymphes des bois die Josquin bij de
dood van Ockeghem schreef. En voor
één keer vlecht hij bij deze gelegenheid nog twee teksten door elkaar: door
het gedicht heen klinkt in één stem in lange noten de cantus firmus met de
tekst Requiem aeternam, dona eis Domine.
Nico van der Meel
