
| Quatre Motets pour un Temps de Pénitence | Francis Poulenc (1899-1963) |
- Timor et tremor - Vinea mea electa - Tenebrae factae sunt - Tristis est anima mea |
|
| Chceme my se chceme Jak je mne Daj mi Boe Hej! Máme na prodej (uit: Tsjechische Madrigalen) |
Bohuslav Martinu (1899-1959) |
| Um Mitternacht Nimmersatte Liebe Lied vom Winde Lebewohl Jung Volker (Gesang der Räuber) Der Feuerreiter (uit: Mörike-Chorliederbuch) |
Hugo Distler (1908-1942) |
| pauze | |
| Quatrains Valaisans (Rainer Maria Rilke) | Darius Milhaud (1892-1974) |
- Pays, arręté ŕ mi-chemin - Rose de lumičre - L’Année tourne - Chemins qui ne mčnent nulle part - Beau papillon |
|
| A.M.D.G. (Gerard Manley Hopkins) | Benjamin Britten (1913-1976) |
- O Deus, ego amo te - The Soldier - Prayer II - Rosa Mystica - Heaven-Haven - God’s Grandeur - Prayer I |
Een sombere dreiging gaat uit van de Quatre Motets pour un Temps de Pénitence, die Francis Poulenc (1899-1963) in januari 1939 voltooide. Poulenc verliet gedurende de tweede wereldoorlog zijn luchtige, bij de Groupe des Six passende neoclassicistische stijl en de motetten uit 1939 lijken daar een voorbode van te zijn. Drie van de vier teksten zijn responsoria uit de donkere metten, het eerste motet gebruikt een tekst die een compilatie is van verzen uit psalm 54 en 30 en die eveneens thuishoort in getijdengebeden van de Goede Week. Poulenc benadert de teksten bijna literair en legt de nadruk op de gevoelens die de teksten oproepen. Hoewel hij menig concertreis gemaakt heeft, heeft Poulenc zijn hele leven in Parijs gewerkt en gewoond. Ook tijdens de oorlogsjaren verbleef hij daar en schreef in die tijd onder andere ter ere van het Verzet Figure Humaine op tekst van zijn vriend Paul Éluard. (januari 1939)
| Timor en tremor venerunt super me Et calligo cecidit super me. Miserere mei domine. Quoniam in te confidit anima mea. |
Vrees en beven zijn over mij gekomen en duisternis omringt mij. Heb medelijden met mij Heer, want aan u vertrouw ik mijn ziel toe. |
| Exaudi Deus deprecationem meam. Quia refugium meum es tu, et adjutor fortis. Domine invocavi te, non confundar. |
Heer, luister naar mijn gebed want gij zijt mijn toevlucht en mijn almachtige hulp. Heer, ik heb u aangeroepen en zal niet worden beschaamd. |
| Vinea mea electa, ego te plantavi: quomodo conversa est in amaritudinem, ut me crucifigeres et Barrabam dimitteres. |
O mijn uitverkoren wijngaard, ik heb u geplant: hoezeer zijt gij veranderd in bitterheid, dat gij mij kruisigt en Barrabas vrijlaat. |
| Sepivi te, et lapides elegi ex te et aedificavi turrim. |
Ik heb u met een haag omringd heb u vrijgemaakt van stenen en heb een toren gebouwd. |
| Tenebrae factae sunt dum crucifixissent Jesum Judaei. Et circa horam nonam exclamavit Jesus voce magna: Deus meus, ut quid me dereliquisti? |
Duisternis kwam over het land toen de Joden Jezus kruisigden. En tegen het negende uur riep Jezus met luide stem: Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? |
| Et inclinato capite emisit spiritum. Exclamans Jesus voce magna ait: Pater, pater in manus tuas commendo spiritum meum. |
En hij boog het hoofd en gaf de geest. Jezus riep met luide stem: Vader, in uw handen beveel ik mijn geest. |
| Tristis est anima mea usque ad mortem. Sustinete hic, et vigilate mecum, nunc videbitis turbam quae circumdabit me. |
Mijn ziel is bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt met mij. Weldra zult ge de menigte zien die mij zal omsingelen. |
| Vos fugam capietis, et ego vadam immolari pro vobis. Ecce, appropinquat hora et filius hominis tradetur in manus peccatorum. |
U zult vluchten en ik zal mij voor u opofferen. Zie, het uur is gekomen dat de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van zondaars. |
Eveneens in juli 1939 schreef Bohuslav Martinu (1890-1959) zijn Tsjechische Madrigalen. Martinus keuze voor de volksachtige teksten moet welhaast ingegeven zijn door de grote zorg over de toekomst van zijn vaderland. Maar de volksmuziekinvloed geeft een tamelijk luchtige sfeer aan deze compositie. Somberheid klinkt veel meer door in een andere compositie van Martinu uit 1939, de Soldatenmis voor bariton, mannenkoor en blazers. Martinu had in 1924 zijn vaderland verlaten om in Parijs bij Roussel verder te gaan studeren. Langzaam maar zeker werd hij ook in Frankrijk steeds meer erkend en hij burgerde helemaal in in het Parijse muziekleven; in 1931 huwde hij ook een Parisienne. Samen moesten zij in 1940 naar de Verenigde Staten vluchten. Na de oorlog doceerde Martinu nog twee jaar in Praag, maar de politieke situatie deed hem opnieuw naar de Verenigde Staten vertrekken. (juli 1939)
| Chceme my se chceme ale
potajemne, Neznaj se devcico, mezi ludma ke mne. Jak se nemám znáti, dy to ludé vedá Dy tve modré oci dycky po mne hledá. Nael sem oríek mezi vinohrady. |
We houden van elkaar, maar in het geheim, liefste, laat de mensen niet zien dat je van mij bent. Hoe kan ik dat niet laten zien, als de mensen weten dat jouw blauwe ogen mij altijd zoeken. Ik vond een nootje in de wijngaard. |
| Povez mne má milá
mámeli my se rádi! My se rádi máme, ale potajemne, Nehlas se má milá, mezi ludma ke mne. ak já sa nehlásím, ani neraduju, Ví Pán Buh nebeský, cí já ena budu? |
Zeg me, liefste, of wij van elkaar houden! We houden van elkaar, maar in het geheim, mijn liefste, zeg niet tegen de mensen dat je van mij bent. Ik zeg het niet, en ben niet gelukkig, weet God in de hemel wiens vrouw ik zal zijn? |
| Jak je mne, tak je mne,
ak mne dobre není. Moje poteení krácí v tyrské zemi. Placte, ocí, placte, enom nezlykajte, Ceho ste navykly, toho odvykajte. A vy ste navykly s panenkou si hrávat, a vcil je vám teko toho odvykávat. |
Ik voel wat ik voel, maar voel me niet goed. Mijn liefste wandelt in Stiermarken. Huil, mijn ogen, maar houd nog tranen over, leg jullie je er bij neer dat ze weg is. Maar jullie speelden altijd met een pop, en het valt jullie zwaar dat op te geven. |
| Jak je mne, tak je mne,
ak mne dobre není. Moje poteení krácí v tyrské zemi. Krácí v tyrské zemi, k matince celenský. Ach Boe, Rozboe, dej jí navrácení. Dej jí navrácení castlivého domu, a dy príde domu, sejdeme se spolu. |
Ik voel wat ik voel, maar voel me niet goed. Mijn liefste wandelt in Stiermarken. Ze wandelt in Stiermarken, naar haar moeder in Mariazell. O God, lieve God, zorg dat ze terugkomt. Laat haar terugkomen naar een gelukkig huis, en als ze thuis komt, zien wij elkaar weer. |
| Daj mi Boe
vedet s kým já budu sedet za stolem cerveným, pod kvítkem zeleným! Ach Boe, Preboe, co sem udelala, e sem pro jednoho veckých opustila? |
God, vertel me met wie ik zal zitten aan de rode tafel, onder het groene lover! O God, goede God, wat heb ik gedaan, dat ik iedereen heb verlaten voor één jongen? |
| Opustila sem já sokola pro páva, vcil bych ho la hledat, nevím kde sedává. Sedává on v lesi, nebo v cirém poli, la bych já ho hledat, hlavenka mia bolí! Ej, poslala bych pronho tu malú vcelicku, ona se mne staví na bílém kvetecku! Poslala bych pronho vtácka jerábího, on by se mne stavil u kra zeleného! Hlavicko, hlavo má, ej, co mia tolej bolí. Ani neodpadá, ani sa nehojí. Hlavicko, hlavo má, U mia tolej nebol. Radi mne odpadni, lebo se mi zahoj! |
Ik heb een valk verlaten voor een pauw, Ik zou hem gaan zoeken, maar weet niet waar hij zit. Zit hij in het bos, of in het open veld, ik zou hem gaan zoeken, mijn hoofdje doet zon pijn! Ach, ik zou dat kleine bijtje sturen om hem te zoeken, het komt bij me zitten op een wit bloempje! Ik zou een kraanvogel sturen om hem te zoeken, die zou bij me komen zitten op een groene struik! Hoofdje, mijn hoofd, ach, waarom doe je zon pijn. je valt er niet af, maar wordt ook niet beter. Hoofdje, mijn hoofd, doe toch niet zon pijn. Val er dan maar af, of zorg dat je beter wordt! |
| Hej! Máme na prodej. Máme tady dobré zboí, Co se na nem hezky leí! Periny, periny, mý milý periny, U my vás vezeme do cizí dediny. |
Hé! We hebben spullen te koop. We hebben hier hele mooie waar, waar je lekker op kunt liggen! Donzen bedden, mijn lieve donzen bedden, we nemen jullie mee naar een ander dorp. |
|
| Nejednó mamenka,
nejednó zdrímala, Ne ona céruce periny schystala, Nejednó tatícek, nejednó posvítil, Aby své céruce periny nalícil. |
Menig moeder is erop in slaap
gevallen, voordat ze het donzen bed voor haar dochter klaarmaakte, menig vader is s nachts op weg gegaan, om donzen bedden voor zijn dochtertje te halen. |
|
(vertaling Ton Stauttener) |
||
Hugo Distler (1908-1942) bevrijdt zich tijdelijk uit het keurslijf van de kerkmuziek om zich, in navolging van Hugo Wolf, te wijden aan de toonzetting van een groot aantal gedichten van de 19e-eeuwse dominee-dichter Eduard Mörike. Wat Distler zo aantrekkelijk vond aan Mörike is dat deze vaak schrijft in de traditie van het Duitse volkslied, met veel ritmiek, en dat deze een relativerende, soms bijna ironische manier van denken aan de dag legt. Distler schreef het Mörike-Chorliederbuch toen hij leraar was aan het conservatorium van Stuttgart, de grootste stad in de streek waar Mörike leefde en werkte. Door een onbekende hoge functionaris in de partij werd voorkomen dat Distler onder de wapenen werd geroepen. Toen dat in 1942 toch dreigde te gebeuren, sloeg Distler de hand aan zichzelf. (juni 1939)
| Gelassen stieg die Nacht an's Land, Lehnt träumend an der Berge Wand, Ihr Auge sieht die goldne Wage nun Der Zeit in gleichen Schalen stille ruhn; Und kecker rauschen die Quellen hervor, Sie singen der Mutter, der Nacht, in's Ohr Vom Tage, vom heute gewesenen Tage. |
Kalm kwam de nacht over t land, Leunde dromend tegen de bergwand, Haar oog ziet nu de gulden weegschaal Van de tijd stil in rust staan; En vermetel komen de bronnen tevoorschijn, Ze zingen de moeder, de nacht, toe Over de dag, de dag die vandaag geweest is. |
| Das uralt alte Schlummerlied, Sie achtet's nicht, sie ist es müd'; Ihr klingt des Himmels Bläue süßer noch, Der flüchtgen Stunden gleichgeschwung'nes Joch. Doch immer behalten die Quellen das Wort, Es singen die Wasser im Schlafe noch fort Vom Tage, vom heute gewesenen Tage. |
Het oeroude oude slaapliedje, Ze slaat er geen acht op, ze is het zat; Voor haar klinkt het blauw van de hemel nog zoeter, het in evenwicht geschommelde juk van de vluchtige uren. Maar altijd blijven de bronnen aan het woord, de wateren zingen in hun slaap nog verder Over de dag, de dag die vandaag geweest is. |
| So ist die Lieb'! So ist die Lieb'!Mit Küßen
nicht zu stillen: Wer ist der Tor und will ein Sieb Mit eitel Wasser füllen? Und schöpfst du an die tausend Jahr; Und küßest ewig, ewig gar, Du tust ihr nie zu Willen. |
Zo is de liefde! Zo is de liefde!Met kussen
niet te stillen: Wie is die dwaas die een zeef met enkel water wil vullen? Al schep je welhaast duizend jaar; en kus je zelfs eeuwig, Je bent haar nooit genoeg ter wille. |
| Die Lieb', die Lieb' hat alle Stund'Neu
wunderlich Gelüsten; Wir bißen uns die Lippen wund, Da wir uns heute küßten. Das Mädchen hielt in guter Ruh', Wie's Lämmlein unter'm Messer; Ihr Auge bat: nur immer zu, Je weher desto beßer! |
De liefde heeft elk uur nieuwe wonderlijke begeerten;We beten elkaar de lippen stuk, toen we elkaar vandaag kusten. Het meisje hield zich rustig als een lammetje onder het mes; Haar oog smeekte: ga zo maar door, hoe pijnlijker des te beter! |
| So ist die Lieb', und war auch so,Wie lang es
Liebe giebt, Und anders war Herr Salomo, Der Weise, nicht verliebt. |
Zo is de liefde, en was al zo, zolang de liefde bestaat. En op een andere manier was zelfs Heer Salomon, de wijze, niet verliefd. |
| Sausewind, Brausewind!Dort und hier! Deine Heimat sage mir! |
Suiswind, bruiswind!Hier en daar! Zeg me waar je vandaan komt! |
| "Kindlein, wir fahrenseit viel vielen
Jahren durch die weit weite Welt, und möchten's erfragen, die Antwort erjagen, bei den Bergen, den Meeren, bei des Himmels klingenden Heeren, die wissen es nie. Bist du klüger als sie, Magst du es sagen. Fort, wohlauf! Halt' uns nicht auf! Kommen andre nach, unsre Brüder, Da frag' wieder." |
"Kindje, we reizen sinds vele, vele jaren de wijde, wijde wereld door en willen het door vragen te weten komen,het antwoord bemachtigen, bij de bergen, de zeeën bij de klinkende heerscharen van de hemel, die weten het nooit. Als je wijzer bent dan zij, Mag je het zeggen. Welaan, op pad! Houdt ons niet op! En komen anderen ons achterna, onze broeders, vraag het hun dan maar." |
| Halt' an! Gemach,Eine kleine Frist! Sagt, wo der Liebe Heimat ist, Ihr Anfang, ihr Ende? |
Wacht! Kalm aan,Een momentje! Zeg me, waar komt de liefde vandaan, Wat is haar oorsprong, wat haar eind? |
| "Wer's nennen könnte! Schelmisches Kind, Lieb' ist wie Wind, Rasch und lebendig, Ruhet nie, Ewig ist sie, Aber nicht immer beständig. Fort! Wohlauf! Halt' uns nicht auf! Fort über Stoppel und Wälder und Wiesen! Wenn ich dein Schätzchen seh', Will ich es grüßen. Kindlein, Ade!" |
"Wie zal het zeggen? Ondeugend kind, De liefde is als de wind, gezwind en opgewekt, Ze rust nooit, is eeuwig, maar niet altijd bestendig. Welaan, op pad! Houdt ons niet op! Verder over stoppelvelden en bossen en weiden! En mocht ik je liefje zien, zal ik hem groeten. Kindje, vaarwel!" |
| Lebe wohl! - Du fühlest nicht,Was es heißt,
dies Wort der Schmerzen; Mit getrostem Angesicht Sagtest du's und leichtem Herzen. |
Vaarwel! Jij voelt niet, wat het betekent, dit woord van pijn;Je zei het met een gelaat vol vertouwen en met een onbekommerd hart. |
| Lebe wohl! - Ach! tausendmalHab' ich mir es
vorgesprochen, Und in nimmersatter Qual Mir das Herz damit gebrochen! |
Vaarwel! Ach! Wel duizendmaal heb ik het voor mezelf hardop gezegd, en in een onverzadigbare kwelling heb ik mijn hart ermee gebroken! |
| Jung Volker, das ist unser
Räuberhauptmann,Mit Fiedel und mit Flinte, Damit er geigen und schießen kann, Nach dem just Wetter und Winde. Fiedel und die Flint, Fiedel und die Flint! Volker spielt auf. |
De jonge Volker, dat is onze roverhoofdman, met viool en geweer, zodat hij kan viool spelen en schieten, naast hem enkel weer en wind.Viool en geweer, Viool en geweer! Volker treedt op. |
| Ich sah ihn hoch im SonnenscheinAuf einem
Hügel sitzen: Da spielt er die Geig und schluckt roten Wein, Seine blauen Augen ihm blitzen. Fiedel und die Flint, Fiedel und die Flint! Volker spielt auf. |
Ik zag hem hoog in t zonnetje op een heuvel zitten:Daar speelt hij viool en drinkt rode wijn en zijn blauwe ogen fonkelen. Viool en geweer, Viool en geweer! Volker treedt op. |
| Auf einmal, er schleudert die Geig in die
Luft,Auf einmal, er wirft sich zu Pferde: Der Feind kommt! Da stößt er ins Pfeifchen und ruft. »Brecht ein, wie der Wolf in die Herde!« Fiedel und die Flint, Fiedel und die Flint! Volker spielt auf. |
Opeens gooit hij zijn viool in de lucht, opeens springt hij op zn paard:De vijand komt! Daar blaast hij op een fluitje en roept "Valt aan, zoals een wolf zich op een kudde stort!" Viool en geweer, Viool en geweer! Volker treedt op. |
pauze
De luchtige, bijna volksmuziekachtige toon van Quatrains Valaisans van Darius Milhaud (1892-1974) op teksten van de sterk internationaal gerichte dichter Rainer Maria Rilke steekt scherp af bij de muziek van Poulenc. Het heeft allemaal iets van "dansen op de vulkaan ". Milhaud was tijdens het interbellum de invloedrijkste componist in Frankrijk; hij werd vooral bekend door zijn balletten en andere orkestwerken. De Quatrains Valaisans werden geschreven in juli 1939. Pas begin 1940 zou Milhaud zijn meer geëngageerde Cantate de la Guerre en Cantate de la Paix schrijven op tekst van zijn vriend Paul Claudel. De tweede wereldoorlog dwong Milhaud naar de Verenigde Staten te vertrekken. Vanaf 1947 verdeelde hij zijn tijd weer tussen Parijs en Amerika. Overigens schreef ook Paul Hindemith in 1939 een beroemde cyclus koorliederen op teksten van Rilke, namelijk zijn Six Chansons. (20/21 juli 1939)
| Pays, arręté ŕ mi-chemin Entre la terre et les cieux, Aux voies deau et dairain, Doux et dur, jeune et vieux, |
Land, halverwege gelegen tussen de aarde en de hemelen, met wegen van water en brons, zacht en hard, jong en oud, |
| Comme une offrande levée Vers daccueillantes mains, Beau pays achevé, Chaud comme le pain! |
als een opgeheven gave naar verwelkomende handen: mooi, onberispelijk land, warm als het brood! |
| Rose de lumičre, Un mur qui
seffrite. Mais sur la pente de la colline cette fleur(*) qui, haute, hésite dans son geste de Proserpine |
Roos van licht, een muur die
verbrokkelt, maar op de glooiing van de heuvel, deze bloem(*), die, hooggelegen, aarzelt richting Proserpina. |
| Beaucoup dombre entre sans doute dans la sčve de cette vigne: et ce trop de clarté qui trépigne audessus delle, trompe la route. |
Veel schaduw dringt ongetwijfeld binnen in het sap van de wijnstok: en dit teveel aan licht, dat op haar neersijpelt, maakt de weg bedrieglijk. |
| *Milhaud: fęlure | * Milhaud: scheur |
| Lannée tourne au tour du pivot de la constance paysanne; La Vierge et Sainte Anne disent chacune leur mot. |
Het jaar draait om zijn spil met een boerse standvastigheid; De Maagd en de Heilige Anna spreken elk hun woord. |
| Dautres paroles sajoutent plus anciennes encor, elles bénissent toutes et de la terre sort |
Andere woorden voegen zich bij nog oudere, zij allen zegenen en uit het land komt |
| Cette verdure soumise qui par un long effort, donne la grappe prise entre nous et les morts. |
het gewillige groen tevoorschijn, dat, na een langdurige inspanning, de tros voortbrengt die wortel geschoten heeft tussen ons en de doden. |
| Chemins qui ne mčnent nulle part entre deux prés, que lon dirait avec art de leur but détournés |
Wegen die nergens naar toe leiden tussen twee weiden, waarvan men op geschikte wijze zou kunnen zeggen, met een vreemd doel, |
| Qui souvent nont devant eux rien dautre en face que le pur espace et la saison. |
wegen, die vaak slechts pure ruimte en het seizoen voor ogen hebben. |
| Beau papillon prčs du sol ŕ lattentive nature montrant les enluminures de son livre de vol. |
Mooie vlinder dicht bij de aarde met een oplettende natuur die ons de verluchtingen toont van zijn vluchtboek. |
| Un autre se ferme au bord de la fleur qon respire: Ce nest pas le moment de lire et tant dautres encor, |
Een andere sluit zich op de bloem die we ademen: dit is niet het moment om te lezen. En nog zovele andere |
| De menus bleus séparpillent, flottants en voletants Comme de bleues brindilles dune lettre damour au vent |
kleine blauwtjes verspreiden zich, drijvend en fladderend gelijk blauwe twijgjes van een liefdesbrief in de wind, |
| dune lettre déchirée qon était en train de faire pendant que la destinataire hésitait ŕ lentrée. |
van een verscheurde brief welke men bezig was te maken, terwijl de ontvanger twijfelt bij de entree. |
(vertaling Hans Leenders) |
Ook Benjamin Britten (1913-1976) kiest voor een 19e-eeuwse dichter, hier de anglicaans opgevoede, maar tot het katholicisme bekeerde jezuďet Gerard Manley Hopkins. Manleys teksten zijn doortrokken van zware persoonlijke religiositeit en van besef van onvolkomenheid tegenover God. De titel van de cyclus verwijst naar Ad majorem Dei gloriam, het motto van de orde van de jezuďeten. In 1939 ondernam Britten een grote concertreis naar Canada en de Verenigde Staten en tijdens deze reis werkte hij in augustus aan schetsen van A.M.D.G. Het was bedoeld om na terugkomst in Londen door Peter Pears en zijn Round Table Singers uitgevoerd te worden. Maar het uitbreken van de oorlog verhinderde de terugreis naar Londen en Britten trok het werk uiteindelijk, net als een werk dat hij in Canada had geschreven, om onbekende reden terug. Van vier delen van de zeven bestaat een manuscript van een meer uitgewerkte versie, drie bestaan er slechts in schets. Een nieuw uitgewerkte versie werd pas in 1984 voor het eerst volledig uitgevoerd en nog steeds behoort A.M.D.G. tot het onbekendere werk van Britten. De volgorde van de delen staat uiteraard niet vast. Britten kreeg overigens pas in 1942 de kans terug te keren naar Engeland, waar hij zich tijdens de oorlogsjaren grotendeels terugtrok uit het openbare leven en zich geheel wijdde aan het componeren. Ter nagedachtenis van de gruwelen van de tweede wereldoorlog schreef hij zijn War Requiem. (5-15 augustus 1939)
| O God, I love Thee, I love Thee - Not out of hope of heaven for me Nor fearing not to love and be In the everlasting burning. Thou, Thou, my Jesus, after me Didst reach Thine arms out dying, For my sake sufferdst nails and lance, Mocked and marred countenance, Sorrows passing number, Sweat and care and cumber, Yea and death, and this for me, And Thou couldst see me sinning; Then I, why should not I love Thee, Jesus, so much in love with me? Not for heavens sake; not to be Out of hell by loving Thee; Not for any gains I see; But just the way that Thou didst me I do love and I will love Thee; What must I love Thee, Lord, for then? For being my king and God. Amen. |
| YES. Why do we all, seeing of a soldier, bless
him? bless Our redcoats, our tars? Both these being, the greater part, But frail clay, nay but foul clay. Here it is: the heart, Since, proud, it calls the calling manly, gives a guess That, hopes that, makesbelieve, the men must be no less; It fancies, feigns, deems, dears the artist after his art; And fain will find as sterling all as all is smart, And scarlet wear the spirit of war there express. |
|
| Mark Christ our King. He knows war, served
this soldiering through; He of all can handle a rope best. There he bides in bliss Now, and seeing somewhere some man do all that man can do, For love he leans forth, needs his neck must fall on, kiss, And cry O Christ-done deed! So God-made-flesh does too: Were I come oer again cries Christ it should be this. |
| THEE, God, I come from, to thee go, All day
long I like a fountain flow From thy hand out, swayed about Mote-like in thy mighty glow. |
|
| What I know of thee I bless,As acknowledging
thy stress On my being and as seeing Something of thy holiness. |
|
| Once I turned from thee and hid, Bound on what
thou hadst forbid; Sow the wind I would; I sinned: I repent of what I did. |
|
| Bad I am, but yet thy child. Father, be thou
reconciled. Spare thou me, since I see With thy might that thou art mild. |
|
| I have life before me still And thy purpose to
fulfill; Yea a debt to pay thee yet: Help me, sir, and so I will. |
| The Rose in a mystery - where is
it found?Is it anything true? Does it grow on the ground? It was made of the earths mould, but it went from mens eyes, And its place is a secret, and shut in the skies. In the Gardens of God, in the daylight divine Find me a place by thee, Mother of mine. But where was it formerly? Which is the spot That was blest in it once, though now it is not? It is Galilees growth; it grew at Gods will And broke into bloom upon Nazareth Hill. In the Gardens of God, in the daylight divine I shall look on thy loveliness, Mother of mine. What was its season, then? How long ago? When was the summer that saw the Bud blow? Two thousands of years are near upon past Since its birth, and its bloom, and its breathing its last. I shall keep time with thee, Mother of mine. Tell me the name now, tell me its name: The heart guesses easily, is it the same? Mary, the Virgin, well the heart knows, She is the Mystery, she is that Rose. In the Gardens of God, in the daylight divine I shall come home to thee, Mother of mine. Is Mary that Rose, then? Mary, the tree? But the Blossom, the Blossom there, who can it be? Who can her Rose be? It could be but One: Christ Jesus, our Lord her God and her Son. In the Gardens of God, in the daylight divine Shew me thy son, Mother, Mother of mine. What was the colour of that Blossom bright? White to begin with, immaculate white. But what a wild flush on the flakes of it stood, When the Rose ran in crimsonings down the Cross-wood. In the Gardens of God, in the daylight divine I shall worship the Wounds with thee, Mother of mine. How many leaves had it? Five they were then, Five like the senses, and members of men; Five is the number by nature, but now They multiply, multiply, who can tell how. In the Gardens of god, in the daylight divine Make me a leaf in thee, Mother of mine. Does it smell sweet, too, in that holy place? Sweet unto God, and the sweetness is grace; The breath of it bathes the great heaven above, In grace that is charity, grace that is love. To thy breast, to thy rest, to thy glory divine Draw me by charity, Mother of mine. |
| I have desired to go Where springs not fail,To fields where flies no sharp and sided hail And a few lilies blow. |
Ik heb verlangd te gaan waar bronnen niet verzaken, naar velden waar geen scherpe hagel raast en een paar lelies waaien. |
| And I have asked to be Where no storms come,Where the green swell is in the havens dumb, And out of the swing of the sea. |
En k heb gevraagd te wezen waar storm niet komt, waar groene deining in havens verstomt, en buiten het zee-bewegen. |
Vertaald door J. Eijkelboom |
| The world is charged with the grandeur of
God.It will flame out, like shining from shook foil; It gathers to a greatness, like the ooze of oil Crushed. Why do men then now not reck his rod? |
De wereld is beladen met Gods pracht.Zij vlamt
als van bewogen spiegels t licht, zij zwelt als olie onder zwaar gewicht geperst. Hoe kunt gij blind zijn voor die macht? |
| Generations have trod, have trod, have
trod;And all is seared with trade; bleared, smeared with toil; And wears mans smudge and shares mans smell: the soil Is bare now, nor can foot feeel, being shod. |
Geslachten gingen er voorbij, voort,
voort.Alles besmeurde hun gesjacher, alles schond hun vuil, deelt in hun zweet en stank; de grond, nu naakt, heeft geen geschoeide voet bekoord |
| And for all this, nature is never spent;There
lives the dearest freshness deep down things; And though the last lights off the black West went |
Doch niettemin: natuur blijft
overvloed.Lieflijkste koelte leeft diep in elk ding en breekt in t westen dof de laatste gloed, |
| Oh, morning, at the brown brink eastward,
springs Because the Holy Ghost over the bent World broods with warm breast and with ah! Bright wings. |
O, ochtenlicht springt op in t oosten
klaar: de Heilige Geest broedt op de wereldring met warme borst en o, hel vleugelpaar. |
Vertaald door Gabriël Smit |
| Jesu that dost in Mary dwell,Be in thy
servants heart as well, In the spirit of thy holiness, In the fulness of thy force and stress, In the very ways that thy life goes, And virtues that thy pattern shows, In the sharing of thy mysteries; |
|
| And every power in us that isAgainst thy power
put under feet In the Holy Ghost the Paraclete To the glory of the Father. Amen. |
Aan deze concerten werkten mee:
Sopranen
Ingrid Appels
Judith Dijs
Pauline van der Meer
Christa Minderaa
Annemieke Rademaker
Claudia Sternberg
Alten
Marianne van den Beukel
Annelies Korff de Gidts
Ida Los
Godelief Mallee
Marijke Tulp
Hanna Thuránszky
Sanneke Verhagen
Tenoren
Rob van Dam
Theo Janson
Gabriël Hoezen
Niek Nieuwenhuijsen
Bassen
Wim Bel
Cor Haaring
Loek Hackmann
Frits Hali
Andreas Polman
Ton Stauttener
Dirigent
